Soms zit het in één woord.
Mogen.
En toch schuurt dat woord bij mij. Want als ik eerlijk ben, voelt het niet als mogen. Het voelt als moeten. Niet omdat iemand het van me vraagt, maar omdat ik het nodig heb. Eens in de zoveel tijd moet ik eruit. Weg uit de hectiek. Weg van alles wat trekt, duwt en aandacht vraagt. Maar moeten is een woord wat ik liever niet gebruik dus het blijft mogen.
Alleen met mijn rugzak.
Lopen, eten, slapen. Meer niet.
Afgelopen week mocht, of moest, ik weer op pad. Ik liep de Walk of Wisdom. Een pelgrimsroute die begint en eindigt bij de Stevenskerk in Nijmegen. Een cirkel. Alsof je vertrekt om uiteindelijk weer precies daar uit te komen waar je begon, maar dan anders.
De route is afwisselend. Bossen, uiterwaarden, dorpen, stilte en af en toe drukte. Als ik moet kiezen, dan liggen mijn dagen in het bos. Dag twee tot vier. Daar gebeurt het voor mij. Daar zakt het tempo. Daar wordt het stil in mijn hoofd. Maar ook de andere dagen hadden hun eigen charme. Het is nooit één ding wat een tocht maakt. Het is alles bij elkaar.

Mijn planning was… niet mijn sterkste punt deze keer. Midden in de schoolvakanties op pad gaan met het idee dat je “wel iets vindt” qua overnachtingen, dat vraagt om flexibiliteit. En die kwam er. Van slapen bij vrienden die op de fiets langskwamen tot een B&B omdat er simpelweg niets anders meer was. Maar uiteindelijk klopt het altijd. Elke plek had zijn eigen sfeer, zijn eigen verhaal. Helaas geen hostels langs de routes en dus niet veel contact met mede wandelaars in de avonden.
Wat deze tocht bijzonder maakte, was dat ik hem in één keer kon lopen. Acht dagen achter elkaar. Dat is een luxe. Veel mensen lopen een paar dagen, een weekend, of in etappes. En dat is ook mooi. Maar voor mij zit de magie in de aaneenschakeling. Dag na dag. Steeds een stukje verder loskomen.
Na een paar dagen gebeurt er iets.
Alsof je systeem vertraagt.
Alsof je hoofd eindelijk stopt met rennen.Na acht dagen voelde het alsof ik al weken onderweg was. En dát gevoel… daar doe ik het voor.
Thuis hebben we alles. Comfort, gemak, structuur. En dat is fijn. Maar onderweg blijft er weinig over. Jij en je rugzak. Meer niet. Natuurlijk kun je van alles meenemen, maar alles wat je draagt, voel je. Mijn rugzak woog deze keer 7,5 kilo. Inclusief eten en 1,5 liter water.
Dat eten? Niet nodig. Overal is wel iets te krijgen. Maar toch neem ik het mee. Voor het gevoel. Voor de zekerheid.
En dan zijn er de “luxe” dingen. Mijn brander bijvoorbeeld. Even een kop warme choco maken of wat noedels koken. Deze keer niet gebruikt. Maar het idee dat het kan… dat is blijkbaar al genoeg.
Het leven onderweg wordt simpel.
Aan het eind van de dag aankomen. Douchen. Vaak meteen even wat kleding wassen. Uithangen. Een uurtje rust. Dan eten. En ’s avonds lezen op mijn e-reader. Geen tv. Zo min mogelijk telefoon.
Even loskomen van alles wat normaal zo belangrijk lijkt. Want laten we eerlijk zijn: de wereld draait gewoon door. Het nieuws blijft komen. De onrust ook. Maar in zo’n week kies ik er bewust voor om het even niet binnen te laten.
Noem het struisvogelpolitiek.
Voor mij werkt het.
Onderweg ontmoet je mensen. Altijd. Soms vluchtig, soms wat langer. Bij de start was het druk. Het weekend trekt veel lopers die beginnen aan hun tocht. Daarna spreidt het zich uit. Je komt dezelfde mensen steeds weer tegen. Even een praatje. Even samen oplopen.
En dat samenlopen… dat was nieuw voor mij.
Ik ben van het alleen lopen. Mijn eigen tempo, mijn eigen gedachten. Maar deze keer liep ik af en toe samen met anderen. En ik moet toegeven: dat heeft ook iets moois. Verhalen delen welke je anders niet zo gauw zou delen. Een tweede keer dat je oploopt met dezelfde persoon gaan de verhalen nog dieper. Mooi een indrukwekkend.
Gesprekken die vanzelf ontstaan. Stiltes die niet ongemakkelijk zijn. Niets moeten zeggen, maar alles mogen delen. Dat heeft me verrast.
Natuurlijk speelde er ook no iets anders mee. De blessure van vorig jaar. De twijfel of het zou gaan. De fysio was duidelijk: te vroeg. Maar soms moet je ook luisteren naar wat je zelf voelt. Mijn voet liet zich horen, maar hield zich goed. Wel liep ik anders. En dat leverde me een prachtige blaar op. Zo eentje die je niet snel vergeet. Maar zelfs dat hoort erbij. Het haalt je niet uit het moment. Het maakt het onderdeel van de tocht.
Acht dagen later stond ik weer bij de kerk waar ik begon. De cirkel rond. Maar niet hetzelfde. Dat ben ik nooit na zo’n tocht.
En nu… een paar dagen thuis… begint het alweer te kriebelen.
Waar ga ik nu naartoe?
Hoe lang kan ik weg?
Wat wordt de volgende tocht?
De voorpret is begonnen.
Misschien wel het mooiste begin van de volgende reis.






